Kaspar Snikkers


Na Feerwerd kwam Amerika :

(contra)fagottist & contratenor 

Kaspar Snikkers werd geboren in 1977 in Niebert en groeide op in Lageland en de stad Groningen. Hij begon op 12-jarige leeftijd met fagotlessen bij Fred Gaasterland en later bij Leo de Jong. Al op jonge leeftijd won hij een prijs in het Prinses Christina Concours. In 1997 werd hij aangenomen aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam, waar hij fagot studeerde bij Jos de Lange en contrafagot bij Guus Dral. Zijn Eerste Fase diploma behaalde hij in 2002 en zijn Masterdiploma in 2004.

Naast zijn studie aan het Conservatorium van Amsterdam heeft hij fagotlessen gevolgd bij o.a. Brian Pollard en Gustavo Nuñez. Van 2008 tot 2014 was Kaspar fagottist en contrafagottist van het Noord Nederlands Orkest. Daarnaast werkte hij als freelancer bij verschillende andere orkesten, waaronder het Koninklijk Concertgebouworkest.

Zijn kamermuziekervaring beslaat ensembles in vele verschillende samenstellingen, groot en klein, met blazers, strijkers, pianisten, gitaristen en zangers, met vele concerten door Europa en finaleplaatsen op een internationaal kamermuziekconcours in Aberdeen en op de Amsterdamse Uitmarkt.

Naast zijn fagotstudie nam Kaspar Snikkers zanglessen, eerst bij Tanja Obalski en later bij Ronald Klekamp. Kaspar bleek over een unieke falset te beschikken en is sindsdien niet meer alleen instrumentaal actief als musicus, maar ook vocaal, als countertenor.

Kaspar zit na zijn ontslag bij het NNO allerminst om werk verlegen. Als remplaçant is hij actief voor de meeste Nederlandse orkesten, onder meer het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het Residentie Orkest, het Gelders Orkest en Philharmonie Zuidnederland. Daarnaast geeft hij recitals als fagottist en als countertenor en speelt hij in diverse kamermuziekensembles.

In februari 2015 boekte hij succes in de Verenigde Staten met de contrafagotsolo in Ravel's Ma Mère l'Oye tijdens een tournee met het Rotterdams Philharmonisch Orkest. 

The Chicago Maroon schreef hierover: 

“The Mother Goose Suite which began the program is something of a rarity in concert halls. It began as a piano duo, then was re-orchestrated into the ballet from which the suite is derived. Each brief movement references a popular children’s fable, but the references are closer to impressions than to lushly illustrated narratives in the style of, say, Richard Strauss. Perhaps the most vivid of these sketches was the fourth movement, or “Conversations of Beauty and the Beast.” The contrabassoon figures—meant to represent the Beast—were fittingly grotesque, blaring in stark contrast to the tender, bejeweled waltz carried by the rest of the orchestra. At the end of the movement, lo and behold, the hideous monster characterized by the snarling contrabassoon reveals itself to be a handsome prince, his transformation cued by glowing descending harmonics on a solo violin. Tender compositional touches like this were beautifully relayed by the Philharmonic, and the piece’s more intimate instrumentation (with a relatively small woodwind section and no brass, save for two horns) showcased the orchestra members’ individual musicianship.”

De Chicago Classical Review vond: 

“Contrabassoonist Kaspar Snikkers held up his end of the “Conversations of Beauty and the Beast” playing with an appropriately feral tone...”